7 Wetten van eenvoudige borstvoeding

Wet 1: borstvoeding zit bij baby’s ingebakken

Borstvoeding is niet iets wat moeders doen. De baby’s doen het zelf, als je ze hun gang laat gaan. Pasgeborenen, die met huid-op-huidcontact bij hun moeder liggen, laten gedrag zien dat lijkt op wat we bij andere zoogdieren zien. Deze voedingsreflex (het zelf zoeken en vinden van de borst) is nog weken na de geboorte op te wekken.
Leg je baby’s lijfje verticaal tussen je beide borsten en wek zo het zoeken naar je borst op. Jij moedigt instinctief het voedingsgedrag aan: je streelt, praat en maakt oogcontact. Zo nodig help je je baby in de juiste richting. De zogenaamde opstapreflex heeft een belangrijke functie bij het vinden van de borst.
Dit filmpje van een pasgeborene laat dit mooi zien (vanaf 7:15 minuten).

 

 

Wet 2: het lichaam van de moeder is de natuurlijke habitat voor het kind

Baby’s hebben betere overlevingskansen als zij in hun natuurlijke leefomgeving zijn, en dat is bij hun moeder. ‘Huid-op-huid’ vindt er een betere regulatie van hartslag, ademhaling, temperatuur en zuurstofgehalte plaats.
De temperatuur van moeders’ huid past zich aan aan de behoefte van het kind. Bij moeders van een tweeling kan de huid op twee plekken tegelijkertijd zelfs graden in temperatuur verschillen als beide kinderen verschillende behoeften hebben!
Ook vertonen baby’s minder stressreactie op pijnlijke procedures, huilen ze minder en hebben zij een betere relatie met de moeder als zij veel gedragen worden. Dichtbij haar kind is de moeder daarnaast alerter op hongersignalen van het kind en verloopt de voeding soepeler.

 

Wet 3: borstvoeding voelt beter en stroomt beter in de zogenoemde ‘comfort zone’

Met de comfortzone wordt de juiste plaats van de tepel in de mond bedoeld: de onderkaak omvat meer dan 3-4 cm van tepelhof. Dan komt de tepel achterin de mond terecht, tussen de tong en het zachte verhemelte.
Daarvoor is een stabiele voedingshouding nodig: het bovenlijfje stevig tegen jou aan, de kin tegen jouw borst. Deze houding geeft je baby meer controle over zijn hoofdbewegingen tijdens het aanleggen. Stevig vasthouden, je borst opdringen, voeden terwijl je baby er nog niet klaar voor is, een tepel die niet in de comfort zone ligt? Dit kan tepelletsel of onvoldoende inname tot gevolg hebben.

Hier zie je een korte animatie van goed aanhappen:

 

Wet 4: meer borstvoeding in het begin, betekent meer melk later

Vanaf dag 1 is de moeder in principe in staat volledig te voorzien in de behoefte van haar baby. Bijvoeding is niet nodig. Hoe langer en hoe meer borstvoeding de moeder geeft in de eerste weken, hoe beter haar melkproductie. Nu en in de toekomst.

 

Wet 5: elke voedende moeder en kind hebben een eigen ritme

Het voedingspatroon, de frequentie en duur van borstvoeding verschilt per moeder-kindkoppel. Het ritme is afhankelijk van de maaginhoud van het kind en de melkproductie en opslagcapaciteit van de moeder (zie wet 6).
Verder is de samenstelling van menselijke moedermelk van belang. Deze heeft het laagste vet- en eiwitgehalte van alle zoogdieren. Dit is kenmerkend voor soorten met onrijpe jongen (zoals ook mensapen en buideldieren). Het is ingesteld op pasgeborenen die 24/7 doordrinken. Dat is veeleisend, maar als je als moeder weet dat dit normaal is, zul je meer zelfvertrouwen krijgen.

 

Wet 6: meer melk geven=meer melk aanmaken

Hoe vaker de borst geleegd wordt, hoe meer melk er wordt aangemaakt. Volle borsten produceren minder melk dan lege.
Hoeveel melk een volle borst bevat verschilt per vrouw. Vrouwen met een hoge opslagcapaciteit kunnen volstaan met een borst per keer, minder voedingen per dag en minder nachtvoedingen dan vrouwen met een lage opslagcapaciteit.
Het is van belang dat vrouwen niet proberen om ‘gemiddeld’ te zijn en zich te houden aan voorgeschreven voedingstijden en hoeveelheden.

 

Wet 7: kinderen stoppen op een natuurlijk moment met borstvoeding

Ook als je nooit afbouwt, zal je kind een keer zelf stoppen met borstvoeding. Zolang moeder en kind het willen, is er geen reden tot stoppen.